De Olympische eed: sinds 1920 beloven sporters eerlijk te spelen
Tijdens elke openingsceremonie van de Spelen leggen sporters een eed af. Die traditie begon in 1920 in Antwerpen, toen de Belgische schermer Victor Boin als eerste de Olympische eed aflegde.
Een idee van Pierre de Coubertin
De Olympische eed gaat terug op Pierre de Coubertin, de man achter de moderne Spelen. Al in 1906 schreef hij in de Revue Olympique dat er dringend een eed voor de atleten nodig was in de weinige, maar belangrijke ceremonies van de Spelen. Het duurde nog even voordat het zover was: pas in 1920 werd het idee echt uitgevoerd.
Victor Boin in Antwerpen
Op de Spelen van Antwerpen in 1920 stond de Belgische schermer Victor Boin voor het eerst als eedaflegger voor de sporters. Daarmee werd de eed een vast onderdeel van het protocol. Het was dus een sporter van het gastland die de belofte uitsprak.
Een eed die met de tijd meegaat
De tekst is in de loop der jaren meerdere keren aangepast, zodat hij past bij de sport van het moment. In 2012 kwam er een extra eed bij, namens de trainers die aan de Spelen deelnemen. Tegenwoordig beloven de eedaflegger en zijn collega's om deel te nemen met respect voor de regels en in de geest van fair play, inclusie en gelijkheid. Ook beloven ze dit te doen zonder doping, zonder vals te spelen en zonder enige vorm van discriminatie.
Het is maar een korte belofte, maar ze vat samen waar de Spelen volgens hun bedenkers om draaien: eerlijk en sportief meedoen, voor iedereen.
